Interview

Tekst: Louis Nouws
di 18 februari 2020

Jack Poels: wereldburger in America

Interview

Al jaren liep hij met het idee een soloalbum te maken. Jack Poels, zanger en liedschrijver van Rowwen Hèze heeft met Blauwe Vear de daad bij het woord gevoegd en een meesterlijk album afgeleverd dat wijsheid ademt, geschakeerde kleurvelden schildert en getuigt van oprechtheid. De begeleiding is klein gehouden waardoor de poëtische teksten nog meer opgloeien en licht werpen op de soms duistere wegen van het leven. “Het was in een mum opgenomen, terwijl ik over deze liedjes een heel leven heb gedaan.” Je hele leven voetballer zijn, en dan dat ene doelpunt maken.

Blij was hij dat zijn kompanen van Rowwen Hèze zo positief reageerden op zijn voornemen een soloalbum op te nemen. Niet dat het binnen het zestal onbekend was dat de frontman al jaren met het idee speelde. Maar opgelucht was hij niettemin. Jack Poels is een man van het harmoniemodel. 

Met Voorwaartsch had hij, eerder in 2019, een voortreffelijk bandalbum geschreven dat hem sterkte in zijn voornemen in de vrije tijd na het slotconcert bezig te zijn met zijn eigen project. De liedjes schreven zichzelf. Muzikaal moest het ingetogen blijven, geen krullendraaierij. Meteen tot de kern komend. Kleine woorden over grote emoties zijn al sinds het debuut van Rowwen Hèze zijn handelsmerk. Zoete melancholie en levenslustige weemoed tekenen zijn liedjes. Dat is op Blauwe Vear niet anders. “Mijn idee was een album met luisterliedjes. Een man met gitaar en een verhaal. Die American Recordings van Johnny Cash zijn nog steeds het toonbeeld van muziek die overweldigt in zijn bescheidenheid. Weinig instrumenten en een man die zingt. Zelfs de breekbaarheid van Cash geeft de muziek een bepaalde zeggingskracht, urgentie. Die sfeer had ik voor ogen. De laatste jaren ben ik steeds meer verslingerd geraakt aan het singer-songwritersgenre. Ik zocht een akoestisch geluid.” 
 
Met de klank van Rowwen Hèze heeft Blauwe Vear niets uit te staan. Op het soloalbum geen dampende stamppot van tex-mex, Ierse folk, walsen, polka’s en ballades. BJ (Bart-Jan) Baartmans was zijn muzikale partner in crime. Baartmans had een keer tegen Rowwen Hèze’s bassist Wladimir Geels laten doorschemeren dat hij wel eens met Poels wilde samenwerken. “We zijn elkaar de afgelopen jaren een paar keer tegengekomen, maar de tijd was nog niet rijp. Toen ik dit album wilde maken, kwam zijn naam meteen bij me op. De samenwerking voelde vanaf het begin goed. Bart-Jan is een fenomenaal gitarist die bovendien als een songwriter kan denken en werken, omdat hij zelf ook behoorlijk wat albums heeft gemaakt. Hij denkt vanuit de muziek en weet wat een liedje nodig heeft. Zijn aanpak is subtiel, organisch.”
 
Dorpeling
Blauwe Vear is een openhartig album van een man die weet wat in de wereld te koop is. Iemand die zichzelf door de jaren heen heeft leren doorgronden. Een man met een beschouwende inborst. Geen kosmopoliet van nature, maar eerder een verstokte dorpeling die er toch regelmatig met het angstzweet in zijn handen op uit trekt. Zijn leven beziet hij, zoals in het liedje Zwaor En Breekbaar, zelfs als een koffer van een man met veel bagage. Elke reis betekent angst voor het onzekere. Poels is een wereldburger in America, Noord-Limburg; een avonturier met heimwee.
 
De studiereis van zijn zoon Jan naar Zuid-Korea zette hem aan het denken zette en bracht de stroom aan liedjes op gang. “De dag dat hij vertrok, vond ik in een modderpoel een blauwe veer van een Vlaamse gaai. Thuis kroop ik achter de computer om te kijken wat dat kon betekenen. Er stond bij: denk terug aan waar je aan dacht op dat moment. Vanaf toen was er geen houden meer aan. De blauwe veer wakkerde al mijn gevoelens aan en de liedjes bleven maar komen. Het ging vanzelf. Ooit liep ik aan tegen het citaat: ‘when feathers appear angels are near’. Dat vind ik in dit geval wel toepasselijk of in ieder geval een sprekend beeld. Als ik een bepaalde trigger vind, zoals die veer, gaat het werken in mijn hoofd.”
 
“Het eerste liedje dat ik opnam, was In De Achtertuin. Het is qua melodie gebaseerd op Front Porch van Joy Williams. Het gaat over dat dubbele gevoel dat ik als vader heb bij een zoon die heel terecht de wereld wil ontdekken. Ik blijf mijmerend in de achtertuin zitten en wacht als het ware op de dag dat hij terugkeert. De deur staat altijd voor hem open. Vanuit die achtertuin gaan mijn gedachten naar de andere kant van de wereld.” De achtertuin als de biotoop van waaruit de zanger de wereld bekijkt, met in de verte die markante kerkspits met de klok die aangeeft hoe laat we leven. Ruimte en tijd zijn samengebald in die achtertuin waarin vroeger en nu, zomer en winter de revue passeren. In de achtertuin ontstaan de verhalen.
 
Torenklok
In de liedjes van Blauwe Vear geeft Poels een inkijk in zijn leven. Weinig heeft hij nodig om een gedachtestroom op gang te brengen. Hij vertrouwt daarbij op zijn vertrouwde omgeving, ook al geeft de torenklok altijd aan dat het 11 Oaver 11 is. De spits is zijn gids en baken waarop hij vertrouwt.
Soms laat Jack Poels de tijd bevriezen. Hij neemt in Chauffeur de luisteraar dan mee naar zijn verleden. Naar de tijd toen hij op school ‘chauffeur’ verkeerd spelde en het als strafwerk van zijn juffrouw honderd maal correct moest schrijven. Poels had het honderd keer met één f geschreven. Hij deed wat hem was opgedragen, maar wel op zíjn manier. Hij herinnert zich het voorval terwijl hij met één hand aan het stuur door het dorp rijdt en zijn school passeert. Een treffend beeld.