Uw ervaring op deze site wordt verbeterd door het gebruik van cookies.
Sta cookies toe Meer informatie ×

Blog

Tekst: Eddie Aarts
vr 30 januari 2026

In memoriam: Lowell ‘Sly’ Dunbar, drummer die de hartslag van de Jamaicaanse muziek definieerde

Blog

Afgelopen maandag overleed reggaedrummer en producer Lowell ‘Sly’ Dunbar. Als kind was de op 10 mei 1952 in Kingston geboren Dunbar al gebiologeerd door The Skatalites en andere pioniers die aan de wieg stonden van de Jamaicaanse muziek. Vooral drummer Lloyd Knibb maakte indruk en na de gebruikelijke eerste pogingen op pannen en conservenblikken, verruilde Dunbar de schoolbanken al in zijn vroege tienerjaren voor de drumkruk. Aanvankelijk speelde hij in een van de vele bandjes die in hotels voor amusement zorgen, maar al snel beproefde hij ook zijn geluk in het nog jonge studiocircuit van Kingston.

Tekst Eddie Aarts Foto Schorle

Studiobazen en onafhankelijke producers maakten allemaal gebruik van een poule sessiemuzikanten. Sly’s eerste klappen waren een daalder waard, want zijn debuutsessie in 1970 leverde direct een dikke hit op. Het nummer in kwestie, Double Barrel van Dave Barker en Ansell Collins was niet alleen thuis een succes maar was ook een van de eerste reggaeplaatjes ver buiten Jamaica de hitlijsten.
 
Eenmaal ‘in de molen’ bleek Dunbars kostje gekocht en hij zou tot zijn dood aan zó oneindig veel opnamen meewerken dat schattingen van het aantal tracks waarop hij te horen is oplopen tot wel 200.000. Gezien de enorme muzikale productiviteit op het Caribische eiland is dat niet eens ondenkbaar. Tijdens zijn sessies loopt hij geregeld bassist Robert ‘Robbie’ Shakespeare tegen het lijf en al snel blijkt dat de twee elkaar feilloos aanvoelen en aanvullen. Wanneer Peter Tosh halverwege de jaren zeventig zijn begeleidingsband Word Sound & Power samenstelt, vormen Sly en Robbie de ritmesectie en drukken ze hun stempel op enkele van zijn succesvolste albums. Ondertussen blijven ze veelgevraagde studiokrachten en vaste krachten in de ‘huisbands’ van diverse producers. In dienst van Bunny Lee spelen ze dus in The Aggrovators, bij Joe Gibbs onder de naam The Professionals en bij de Channel One studio The Revolutionaries.
 
Vooral in die club ontpopt Dunbar zich ook als trendsetter en vernieuwer, want altijd op zoek naar nieuwe sounds en breed geïnteresseerd in andere stijlen, staat hij onder meer aan de wieg van stijlen als ‘rockers’ en ‘rub a dub’ die de reggae tijdens de gouden jaren zeventig nieuwe nuances en impulsen bezorgen. In het volgende decennium is hij ook een van de eersten die vroeg elektronisch slagwerk als de syndrums omarmt en een volwaardige rol geeft. En zelfs wanneer geprogrammeerde ritmes en computers de traditionele drummer buiten spel lijken te zetten, beweegt hij mee met die trend en bewijst zijn talent door het beste van beide werelden te combineren.
 
Begin jaren tachtig is de reputatie van Dunbar en Shakespeare dusdanig dat ze met succes ook producties op het eigen Taxi label beginnen uit te brengen. Klinkende namen als Gregory Isaacs, Dennis Brown en Sugar Minott stappen in, maar ook in de carrières van nieuwkomers als Ini Kamoze, Half Pint of Chaka Demus & Pliers komt vaart.
Het meest profiteert waarschijnlijk Black Uhuru. De zanggroep bestaat al wat langer, maar wanneer Sly en Robbie zich als volwaardig groepslid bij Michael Rose, Duckie Simpson en Puma Jones voegen, ontstaat een reggae-act van wereldformaat die zowel live als op de plaat jarenlang toonaangevend is.
 
De ritmetandem heeft tegen die tijd ook buiten reggaekringen naam gemaakt en alsof tijd en energie geen grenzen kennen verlenen de ‘Riddim Twins’ ook geregeld hun medewerking aan rock- en popartiesten van naam.
Zelfs wie weinig op heeft met Jamaicaanse muziek kent zo goed als zeker muziek waarop Dunbar en Shakespeare spelen of heeft die in de kast. Geluidsbepalend zijn ze op Grace Jones’ hits I’ve Seen That Face Before, Pull Up To The Bumper of Slave To The Rhythm. Maar tevens prominent aanwezig op succesvolle albums van Bob Dylan, Joe Cocker, Ian Dury, Serge Gainsbourg, The Rolling Stones, Grace Jones en Sinead O’Connor. En ook voor Simply Red, Sting, Michael Franti, Santana, Madonna en No Doubt werd gemusiceerd en/of geproduceerd.
 
De Stones-connectie ging overigens verder dan gemiddeld. Reggaefans Jagger en Richards contracteerden destijds Peter Tosh en begeleiders voor hun eigen label, scoorden een hit met het Jagger/Tosh-duet Don’t Look Back en namen hen mee als voorprogramma. Dunbar noemde drummer Charlie Watts geregeld een belangrijke inspirator omdat die zo mooi ‘achter de beat’ kon drummen. De genegenheid was wederzijds, want nadat het duo meewerkte aan het Stones album Undercover, verklaarde Watts dat 
Sly zo ongeveer de enige was die aan zijn drumwerk iets mocht toevoegen of veranderen als hij dat nodig vond.
 
Sly Dunbar en Robbie Shakespeare waren ook geregeld te zien op de Nederlandse podia. Met Peter Tosh tijdens Pinkpop 1979 bijvoorbeeld en tijdens het memorabele concert dat Black Uhuru op 28 oktober 1981gaf in de Jaap Edenhal. In de jaren daarna tourde de ‘Taxi Gang’ ook een paar keer met avondvullende programma’s waarvoor artiesten als Ini Kamoze, Yellowman, Half Pint en Maxi Priest meereisden. 
 
Na de eeuwwisseling besteedden de twee het grootse deel van hun tijd aan studio- en productiewerk in een steeds breder palet aan stijlen. Van tijd tot tijd echter kreeg het publiek gelukkig nog steeds de kans om de krachtige twee-eenheid live aan het werk te horen. Daaraan kwam een tijd toen Robbie Shakespeare in december 2021 overleed. Dunbar bleef actief en bracht nog ook enkele gezamenlijke projecten nog postuum uit.
 
De afgelopen maanden was de drummer echter geregeld niet in orde en op 26 januari overleed hij op 73-jarige leeftijd in zijn slaap. Op dat moment had hij meer dan vijftig jaar de hartslag van de Jamaicaanse muziek gedefinieerd.

Sly Dunbar: 10 Mei 1952 - 26 januari 2026