Review
Leslie Kong’s Rock Steady: Jamaicaanse hitsingles die de wereld veroverden
Op 7 augustus verschijnen bij Music on Vinyl de dubbel-lp’s Intensified Sounds: The Beverley’s Rock Steady Singles 1967 - 1968 en Keep The Pressure On: The Beverley’s Rock Steady Singles 1966 - 1967. De platen bieden een fantastische dwarsdoorsnede uit het oeuvre van producer Leslie Kong. Diens naam is helaas beduidend minder bekend dan een deel van zijn muziek. Evenmin realiseren veel muziekliefhebbers zich welke invloedrijke rol Kong en andere Jamaicanen met een Chinese achtergrond speelden in de reggaegeschiedenis.
Tekst Eddie Aarts
Out Of Many, One People
Sinds Jamaica in 1962 onafhankelijk werd van Engeland voert het de wapenspreuk ‘Out Of Many, One People’. Een toepasselijk motto, want nadat Columbus het Caribische eiland in 1494 bereikte werd het wat bevolking betreft een smeltkroes. Van de oorspronkelijke inwoners, de Taino en de Arawak, is daarin nauwelijks meer iets terug te vinden, want die werden door de Spaanse bezetters nagenoeg uitgeroeid. De Spanjaarden introduceerden ook de eerste Afrikaanse slaafgemaakten, maar nadat de Engelsen Jamaica in 1655 veroverden groeide dat aantal enorm. Toen de slavernij er in 1834 officieel werd afgeschaft, moest elders naar extra mankracht worden gezocht. Die werd gevonden in de vorm van contractarbeiders waardoor een nieuwe stroom immigranten op gang kwam. Gelukszoekers uit Zuid-Amerikaanse landen en de Cariben zelf, en ook Aziaten, vooral Chinezen. Na verloop van tijd zoeken zij en hun nakomelingen hun heil vooral in de handel en halverwege de twintigste eeuw verdient een flink deel van hen de kost in middenstand en horeca. Wanneer in de loop van de jaren zestig in Kingston geleidelijk een ‘muziekindustrie’ van de grond komt, en achtereenvolgens de eerste ‘eigen’ muziekstijlen ska, rocksteady en reggae ontstaan, slaan ze ook daar hun vleugels uit.
Ondernemingsgeest
Dankzij hun ondernemingsgeest en kapitaalkracht runnen ze al snel succesvolle platenwinkeltjes en studio’s en brengen ze platen uit op eigen labels. De invloed van deze Jamaicanen met een Chinese achtergrond was groot, want zelfs de meest bescheiden reggaecollectie bevat muziek die mede dankzij hen tot stand kwam. Zo maakt Byron Lee al in de jaren vijftig naam als leider van showorkest The Dragonaires en runt hij vanaf 1964 de drukbezette Dynamic Sounds studio. Bescheidener van opzet, maar niet minder van belang, is Herman Chin Loy, die onder de naam Aquarius eerst een platenwinkel en later ook een goed geoutilleerde studio uitbaat. Daar profileert hij zich begin jaren zeventig als dubpionier en de carrières van onder meer Augustus Pablo en Dennis Brown komen er van de grond. Ook The Wailers nemen geregeld op in Aquarius en Bunny Wailers fenomenale solodebuut Blackheart Man kwam er goeddeels tot stand.
Studio One
Een paar jaar later is de Channel One-studio, waar de broers Ernest en Joseph Hoo-Kim de dienst uitmaken, dé plek waar het geluid van de rootsreggae uit de ‘gouden jaren’ wordt bepaald en ontelbare toonaangevende singles en albums dragen het Channel One signatuur. Elders in Kingston zwaaien Vincent en Patricia Chin Randy’s Record Store en Studio 17, maar pas nadat ze verhuizen naar Brooklyn en daar hun business voortzetten, ontstaat een heus muziek-imperium. Hun VP Records groeit uit van een winkel tot de grootste reggaemaatschappij en -distributeur ter wereld. Twee zoons vormen tegenwoordig de directie, maar de inmiddels 88-jarige ‘Miss Pat’ geldt nog altijd als boegbeeld van het bedrijf en ambassadrice van de Jamaicaanse muziekwereld in het algemeen.
Leslie Kong
De eerste en in veel opzichten belangrijkste Chinees-Jamaicaanse producer is echter ongetwijfeld Leslie Kong. De in 1933 geboren Kong heeft nauwelijks verstand van muziek, maar runt met familieleden in hartje Kingston een ijssalon annex platenwinkeltje onder de naam Beverley’s. In 1961 stapt daar de zeventienjarige James Chambers binnen die ongevraagd het zelfgeschreven liedje Dearest Beverley pitcht. Kong besluit de opgeschoten tiener een plaatje te laten maken en doopt hem daarvoor om tot Jimmy Cliff. Het blijkt voor beiden het begin van een succesvolle loopbaan. Kong financiert sessies en huurt daarvoor uitstekende musici in zoals organist Winston Wright, bassist Jackie Jackson, drummer Paul Douglas en de gitaristen Hux Brown en Rad Bryan. Hij weet al snel getalenteerde zangers en groepen aan zich te binden. De nog piepjonge Bob Marley maakt er zijn eerste plaatje (dat nauwelijks indruk maakt) maar naast Cliff groeien acts als Desmond Dekker, The Pioneers, The Melodians en The Maytals uit tot grote hitmakers die Kong ook jarenlang trouw blijven. Waarschijnlijk ook omdat Kong in vergelijking met veel collega’s correct en relatief goed betaalt.
Beverley’s
Kongs producties verschijnen allereerst op zijn eigen label, dat eveneens Beverley’s wordt gedoopt. Ze klinken steevast kraakhelder, tot in de puntjes verzorgd en heel toegankelijk. Een geknipte sound voor de melodieuzere en soulvolle rocksteady, die rond 1967 uit de beduidend heftiger ska voortkomt. Zijn opnamen trekken misschien juist daarom ook de aandacht van het Engelse platenlabel Trojan. Daar brengt men al een poosje in licentie Jamaicaanse muziek uit, die vooral onder West-Indische immigranten aftrek vindt. Vanaf 1969 blijkt echter dat een groter publiek voor het eerst oren heeft naar deze klanken en ‘promoveren’ Trojan-releases naar de Britse radio en hitlijsten. Binnen een paar jaar worden dik 25 singles hits, waaronder Kong-producties van onder meer Desmond Dekker (Israelites, 007, It Mek), The Pioneers (Longshot, Let Your Yeah Be Yeah), The Melodians (Sweet Sensation, Rivers Of Babylon), The Maytals (Monkey Man) en uiteraard Jimmy Cliff (Vietnam, Many Rivers To Cross, Wild World, Wonderful World, Beautiful People). Als in 1972 de eerste reggaefilm The Harder They Come verschijnt, kent die om begrijpelijke redenen een flink Kong-aandeel. Jimmy Cliff schittert in de hoofdrol, The Maytals figureren in een studioscene en samen met Desmond Dekker en The Melodians leveren ze 90% van de soundtrack.
De Beverley’s output kwam destijds voor het overgrote deel op single uit. Een prachtige selectie uit al die plaatjes vinden we op Intensified Sounds: The Beverley’s Rock Steady Singles 1967 - 1968 en Keep The Pressure On: The Beverley’s Rock Steady Singles 1966 - 1967.
Daarop uiteraard enkele van bovengenoemde hits, maar vooral veel minder vaak gecompileerd materiaal. Skatalites-saxofonist Roland Alphonso en de Beverley’s Allstars excelleren in een dik dozijn puike instrumentals. Tracks als Struggle, Bim Today en School Days (een tragere versie van ska-kraker Broadway Jungle uit 1964) leggen feilloos de gospelroots van Toots Hibbert en zijn Maytals bloot.
Rude boys
Ook de lokale actualiteiten bereikten de muziek. Vooral de spanning en het geweld van de eufemistisch met ‘rude boys’ aangeduide straatbendes zorgen maakt indruk. We horen dat terug bij The Spanishtonians (Rudie Gets Plenty), Desmond Dekker (Rude Boy Train, Rudy Got Soul) en Winston & George (Keep The Pressure On, Denham Town). Ook de weerslag, een stevig ingrijpen van de overheid, word bezongen. In Soldier Take Over van The Rio Grandes bijvoorbeeld.
De destijds immense populaire zanger Derrick Morgan kruipt met I Am The Ruler zelf even in de rol van branieschopper, maar situeert ook meerdere singles met een knipoog in de rechtzaal. Tougher Than Tough (Rudies In Court) is de bekendste, maar Judge Dread In Court en Court Dismiss tappen uit hetzelfde vaatje. Verrassende namen zijn hier verder onder meer de latere Twinkle Brothers-voorman Norman Grant en de schandelijk ondergewaardeerde Freddie Mckay.
Samensteller Laurence Cane-Honeysett had decennialang de Trojan-archieven onder zijn hoede en kent het repertoire in die schatkamer als geen ander. Er valt dus veel te genieten en ontdekken op deze twee royaal gevulde dubbelaars. Stilletjes hoop ik alvast dat die in de toekomst worden aangevuld met een dwarsdoorsnede uit de jaren ’69-’71. Daarmee zou een passend monument voor Leslie Kong compleet zijn.