Uw ervaring op deze site wordt verbeterd door het gebruik van cookies.
Sta cookies toe Meer informatie ×

Postuum: Jesse Winchester

ma 14 april 2014

Postuum: Jesse Winchester

Eindelijk was hij daar dan weer. Jesse Winchester. De singer-songwriter die de wereld in 1970 verraste met een elpee die zijn eigen naam droeg en die om te beginnen opviel doordat de klaphoes op alle vier de kanten hetzelfde portret liet zien van een treurig kijkende man. De plaat trok ook de aandacht omdat ze was geproduceerd door Robbie Robertson met Todd Rundgren als technicus. Dat beloofde wat. En wat werd die belofte ingelost.

door Constant Meijers

Jesse winchester bleek indrukwekkend en diep ontroerend, met schitterende liedjes als Biloxi, Snow, The Brand New Tennessee Waltz, Yankee Lady en het huiveringwekkende Black Dog. De plaat verdween nooit van mijn draaitafel en ik pende haar steevast neer als ik werd gevraagd een lijstje met beste albums aller tijden op te stellen. Een onevenaarbaar debuut ook, al kwamen de directe opvolgers Third Down, 110 To Go en Learn To Love It verrassend dicht in de buurt. Met Say What van het door Willie Mitchell geproduceerde Talk Memphis zou hij in 1981 zelfs een Amerikaanse hit scoren.

Wat ook bijdroeg aan zijn aura was dat Winschester een draught dodger was. Hij verliet zijn vaderland omdat hij niet wilde vechten in Vietnam en vestigde zich in Canada. Het maakte hem op afstand een held. Die ene keer dat hij Nederland was, in 1976, knoopte ik namens Muziekkrant Oor een gesprek met hem aan. Het werd geen gezellig samenzijn. Winchester kwam nors over en voelde er weinig voor veel van zichzelf prijs te geven. Vijfendertig jaar later kruipen fotograaf Gijsbert Hanekroot en ondergetekende for old time’s sake weer in een auto om een artiest te gaan interviewen. Want Jesse Winchester – 67 jaar inmiddels, vader van drie kinderen en grootvader – is terug, voor een eenmalig optreden op het Utrechtse Blue Highwaysfestival.

Op de achterbank ligt de ingebonden jaargang 1976 van Muziekkrant Oor met daarin ons verhaal, om te bewijzen dat is gebeurd wat we inmiddels voor een groot deel zijn vergeten. Het enige wat Winchester zich herinnert is dat het gesprek plaatsvond in Hilversum. Hij moet lachen als hij het verhaal van toen onder ogen krijgt en vertelt dat hij een beetje Nederlands kan lezen. In de jaren zestig heeft hij twee jaar in Duitsland gewoond. De bedoeling was om er Duits te studeren, maar het kwam er in de praktijk op neer dat hij als gitarist in een band ging spelen, de Night Sounds, en de taal on the road oppikte. De norse man van toen is een aimabele grijs aard geworden die ons met alle egards ontvangt.

Ook wij zijn een jaartje ouder en deinzen er nu een beetje voor terug om hem het hemd van het lijf te vragen. Nog even bedachtzaam als vroeger vertelt Winchester dat aan zijn zelfverkozen ballingschap in Canada pas vrij recent een einde is gekomen. Want ook toen hij de Verenigde Staten weer in kon nadat Jimmy Carter in 1977 een amnestieregeling afkondigde die dat voor dienstweigeraars mogelijk maakte, was hij niet van plan om te remigreren. “Als ik Cindy niet had ontmoet, zou ik nooit zijn teruggegaan. Maar Frans is een moeilijke taal voor Amerikanen om te leren, in feite is elke taal moeilijk voor een Amerikaan, maar Frans is dat wel in het bijzonder. Ik kon haar dat niet aandoen, dus ben ik in 2003 terugverhuisd naar Virginia.”

Heb je toen je indertijd Amerika wilde verlaten overwogen om naar Europa terug te keren?

“Nee, hooguit als een romantisch idee. Mijn liedjes worden in belangrijke mate bepaald door de teksten waardoor ik tamelijk afhankelijk ben van een publiek dat Engels verstaat. Ik weet dat mensen in Nederland beter Engels spreken dan mensen in Amerika, echt waar, maar nee, ik heb niet overwogen om me in Europa te vestigen.”

Waarschijnlijk moest je die beslissing op redelijk korte termijn nemen.

“Dat klopt. Ik zocht Canada op in de encyclopedie, want Amerikanen weten hoegenaamd niets over welk ander land dan ook, tenzij buitenlanders ze irriteren, zoals de immigranten uit Mexico. Ik wist niets van Canada. Dankzij de encyclopedie kwam ik er achter dat Montreal de grootste stad was, althans in die tijd, nu is dat Toronto. Ik had dus voor Toronto kunnen kiezen, maar ik zocht een grotere uitdaging, het Franstalige Montreal. Overigens was ik in die tijd nog geen beroepsmuzikant, ook al had ik geen ander werk dan piano spelen in een nachtclub. In die zin was ik dan weer wel muzikant van beroep. Ik speelde oude jazzstukken, dat werk. Maar ik ging er niet van uit dat ik dat de rest van mijn leven zou blijven doen, ik had geen plannen in die richting.”

Wanneer begon dat dan wel tot je door te dringen?

“Toen ik in Canada aankwam, moest ik om in aanmerking te komen voor de kwalificatie landed immigrant, de kwalificatie voor iemand die bezig is om Canadees staatsburger te worden, vijfhonderd dollar bezitten en een baan. En met een baan werd niet ‘muzikant’ bedoeld. Ik ging dus op zoek naar werk, maar mijn Frans schoot daarvoor tekort. Ik kon de immigratiedienst tevreden te stellen nadat ik een aardige professor bereid vond mij een baan aan te bieden die in werkelijkheid niet bestond. Maar om in mijn onderhoud te voorzien maakte ik dus muziek, en dat is in feite nooit opgehouden.”

Had je wel die vijfhonderd dollar?

“In die tijd leefden we in een andere wereld. Een of andere jongen, ik wist niet eens zijn naam, gaf mij die vijfhonderd dollar in cash om de grens over te kunnen. Hij kende mij niet, ik kende hem niet, maar in die tijd was er een geest van gemeenschap, van vriendschap. Ik weet niet of dat nu nog bestaat, dat soort vertrouwen.”

Had je wel een instrument bij je?

“Ik had mijn gitaar bij me, mijn moeder heeft me mijn versterker per bode achternagestuurd. Ik speelde in die tijd alleen elektrische gitaar. Aanvankelijk speelde ik vooral in barbands, zoals Les Astronauts. Maar ik werd het zat dat we steeds opnieuw door zogenaamde impresario’s werden getild. Daarom besloot ik om te gaan werken als een soloact in restaurants. In die periode kwam ik in aanraking met folk, een muzieksoort waar ik eigenlijk niets van af wist, ik had vooral belangstelling voor rhythm ’n’ blues en country ’n’ western. Uiteindelijk kon ik aan de slag in een coffee house, maar daar werd van me verwacht dat ik zou spelen à la Bob Dylan. Dus, om aan die wens tegemoet te komen, begon ik liedjes te schrijven.”

Herinner je je nog wat het eerste lied was waarmee je tevreden was?

“Jazeker, dat was The Brand New Tennessee Waltz.”

Hoe kwam je vervolgens in contact met Robbie Robertson?

“Via een vriend van een vriend. Ik was juist bezig een demo op te nemen in de kelder van een kerk in Ottawa. Robbie nam een kopie van die tape mee naar Albert Grossman, de manager van The Band. Via hem zijn we terechtgekomen bij het Ampex-label, waar Todd Rundgren verantwoordelijk was voor de plaatopnamen.”

Heeft het gegeven dat je buiten Amerika woonde en daar niet op tournee kon je carrière in de weg gestaan?

“Geen idee. Het kan ook zijn dat mijn reputatie mijn carrière op een bepaalde manier heeft geholpen. Misschien bezorgde die me meer aandacht dan ik anders zou hebben gekregen, ik weet het niet.”

Was je zelfgekozen ballingschap van invloed op je liedjes? Komt daar bijvoorbeeld een tekst als How Far To The Horizon? vandaan?

“Nee, dat ging over de horizon die ik in werkelijkheid voor me zag. Het klinkt misschien vreemd, want ik hou er sterke politieke opvattingen op na als ik thuis aan tafel zit, maar in feite ben ik eerder een conservatief iemand. Ik schrijf niet vaak over politiek, naar mijn idee maak je je muziek gedateerd als je dat doet. Je wilt dat iemand over honderd jaar je liedjes kan horen zonder te hoeven weten wie George Bush was. Godzijdank.”

Veel van je liedjes zijn doortrokken van melancholie, verlangen en soms ook een gevoel van verlies. Van een afstand zou je kunnen veronderstellen dat je een kunstenaar hoort die zich afgesneden voelt van zijn wortels. Althans, zo zou je bijvoorbeeld Yankee Lady kunnen interpreteren.

“Ik weet het niet, ik kan daar moeilijk een antwoord op geven. Het kan in mezelf zitten maar het kan ook een projectie van de luisteraar zijn. Ik ben een blijmoedig mens, vooral tegenwoordig. Toen ik jonger was, was ik erg ongelukkig. Ik weet niet wat er met me is gebeurd. Ik ben een tijd lang gestopt met optreden voor publiek. Een jaar of twee geleden kwam ik terug nadat ik love filling station had opgenomen met Jerry Douglas, de grote dobrospeler. Ik was er zo blij mee dat ik vond dat ik het mezelf en de andere mensen die eraan hadden meegewerkt verschuldigd was dat album te promoten. Dus trok ik er weer op uit en toen merkte ik dat ik totaal veranderd was. Ik had er plezier in, echt heel veel lol! De mensen waren aardig tegen me. Ik ontdektedat als je naar mensen lacht, ze vanzelf ook aardig tegen jou gaan doen. Ik had dat niet door toen ik jong was. Het klinkt corny, maar zo eenvoudig is het. Mijn leven veranderde volledig en sindsdien geniet ik van het reizen, van andere mensen en van het spelen voor mensen. Ik begrijp nog steeds niet hoe het is gebeurd maar ik ben er ontzettend dankbaar voor.”

De volgende avond is het soloconcert van Jesse Winchester op Blue Highways een triomftocht. De zaal is tot op de achterste rij bezet en raakt vervuld van de selectie uit zijn songbook die HIJ charmant, bescheiden en doorleefd ten gehore brengt. Na afloop neemt hij de minutenlange staande ovatie glimlachend in ontvangst om vervolgens samen met zijn publiek a capella te eindigen met You Can’t Stand Up Alone.

Jesse Winchester: 17 mei 1944 - 11 april 2014

Het interview met Jesse Winchester is eerder verschenen in Heaven 2011 #5