Bowie en ik: over afstand, bewondering en het ongemak van nabijheid
Het is deze maand tien jaar geleden dat David Bowie overleed. Een decennium waarin hij steeds verder is losgezongen van de tijd, maar zich tegelijk steviger heeft vastgezet in het collectieve geheugen. Bowie is inmiddels niet alleen muziek, maar ook monument geworden: tentoonstelling, documentaire, academisch object, canon. Juist daarom wil ik terug naar mijn eigen verhouding tot hem — een verhouding die altijd problematisch is geweest. Paradoxaal misschien zelfs: bewondering zonder overgave, nabijheid zonder omhelzing. Liefde op afstand. Een Black Star.
Tekst Ludo Diels
Bowie maakte deel uit van mijn muzikale en culturele bewustzijn nog vóór ik begreep wat die woorden inhielden. Mijn oudere broer fungeerde als muzikale ijsbreker. Hij was fan. Ik was nog jong; de betekenis van die muziek ontging me, maar ze nestelde zich wel in mij, als een klank die je meedraagt zonder haar te doorgronden. Misschien is dat meteen de kern van mijn moeizame relatie met hem gebleven: Bowie was voor mij altijd eerder fenomeen dan fenomenaal.
De platen uit de jaren zeventig — Low, “Heroes” en Lodger — raakten aan iets wat ik toen als kind nog niet kon benoemen, maar kennelijk wel herkende als uitzonderlijk. Achteraf bezien hoor ik daar een artiest in artistieke bloedvorm, iemand die zijn tijd niet volgde maar vormgaf.
Die Berlijnse trilogie was Bowie op zijn scherpst, zijn meest noodzakelijk. Hoewel ik toen nog te jong was om het te begrijpen, voelde ik — mede door de bijna fanatieke volharding waarmee mijn broer die platen bleef draaien — dat dit muziek was die ertoe deed. Daarna, in mijn beleving althans, werd alles een zachtere echo. De jaren tachtig — zijn commercieel succesvolste periode — lieten me grotendeels koud. De artiest sliep zacht in, de mythe rees nog verder op.
En die mythe was geen bijproduct, maar methode. Bowie hield – zeker in de jaren zeventig – bewust afstand. Hij schoof personages tussen zichzelf en de luisteraar: Ziggy Stardust, Major Tom, Aladdin Sane, The Thin White Duke — alter ego’s die fungeerden als maskers, als beschermlagen. Bowie sprak niet, maar Bowie speelde. Die afstand was geen tekort, maar zijn artistieke signatuur. En precies daar vond ik mijn houvast.
Die spanning — tussen mythe en muziek, tussen buitenkant en betekenis — heeft me nooit losgelaten. In 1990 zag ik Bowie live, in het MECC in Maastricht, en werd diep teleurgesteld. Te veel bier vooraf, een sfeerloze hal, abominabel geluid en een artiest op de automatische piloot: een giftige melange die zich vastzette als een herinnering die niet meer corrigeerbaar bleek. Het zou daarna nooit meer echt goed komen tussen Bowie en mij. En toch bleef ik kijken. Documentaires, films, tentoonstellingen — ik zag ze allemaal. Ik bezocht de grote Bowie-exposities in Berlijn en Groningen uit een hardnekkige behoefte om hem te begrijpen, of nog beter: te voelen.
In 2014, 2015 en 2016 schreef ik over Bowie voor Heaven. Die stukken herlas ik onlangs opnieuw, met de kennis van nu. Wat daaruit vooral blijft hangen, is hoe Bowie in die teksten al verschijnt als reliek, als iets wat zijn tijd heeft gehad en tegelijk onverminderd glanst. Zo vergeleek ik de tentoonstellingen over mode en Bowie (David Bowie IS) in Groningen en Berlijn met een blinkend opgepoetst dodenmasker — niet anders dan het gouden masker van farao Toetanchamon — een codemasker dat conserveert wat niet meer beweegt. “Een tentoonstelling als de dood zelf”, schreef ik, “maar dan zonder de vervelende bijkomstigheid van het sterven.” Bowie als stijlicoon onsterfelijk, als kunstenaar museaal. Een voorbije Zeitgeist gevangen onder glas.
Mijn toon was kritisch, soms onverbiddelijk, maar de bewondering bleef. Net als bij Bruce Springsteen — een andere artiest met wie ik een complexe verhouding onderhoud — kom ik niet los. Alleen: het verschil is fundamenteel. Springsteen raakt me op zijn beste momenten midscheeps. Hij zegt iets over zichzelf, over mij, over de samenleving, over de condition humaine.
Bij Bowie is dat voor mij minder duidelijk. Hij koos er juist voor om zichzelf buiten beeld te houden. De buitenkant was de boodschap. De docu Moonage Daydream uit 2022 bracht in fragmenten zijn ongrijpbaarheid en de vluchtige dynamiek van zijn bestaan en artistieke leven in beeld. Bowie als een snippet, een fragment, een snipper. Een artiest die je als een collage van verschillende tijden, personae en stijlen in elkaar moet zetten zonder de mens daarachter te leren kennen, laat staan doorgronden.
Ik bekeek hem zoals je een edelsteen bekijkt in een etalage: schitterend, perfect geslepen, maar niet bedoeld om aan te raken. Tussen hem en mij zat afstand. Tussen aarde en space. Die afstand was zijn kracht. Zolang Bowie zich hulde in personages, uitdossingen en aangenomen identiteiten, kon ik hem het beste velen — sterker nog, dan vond ik hem op zijn grootst. Maar zodra hij te dichtbij kwam, zodra hij het masker leek af te zetten en mens werd, broos werd, verloor hij voor mij zijn fascinatie.
Dat verklaart ook mijn onvermogen om zijn zwanenzang Blackstar te omarmen. Niet omdat ik de dood ontken, maar omdat hij hier zo nadrukkelijk werd aangekondigd, geënsceneerd, gechoreografeerd. Ik vond het pathetisch, gekunsteld. Het is niet sympathiek om dat album niet mooi te vinden — dat weet ik — maar ik kon er niets mee. Zijn dood schemert erdoorheen: in zijn broze stem, in de klank, in de beelden. Juist dat doorschemeren, dat afgezette masker maakt het voor mij onmogelijk om van de muziek te genieten. Ik wil geen mens van vlees en bloed horen, maar David Bowie, de ongenaakbare. De dood paste hem niet.
Wat me bovendien opviel bij het herbekijken van de documentaire David Bowie: The Final Act (2017) was hoezeer Bowie in zijn laatste jaren bezig was met zijn eigen verleden. De man die ik meende te kennen als nieuwlichter, als iemand die buitenaardse dimensies verkende, keek ineens achterom. Hij herbezocht plekken uit zijn leven, ging zijn gangen na, speelde — letterlijk en figuurlijk — Greatest Hits. De ongrijpbaarheid die zijn handelsmerk was geweest, maakte plaats voor iets wat ik ervoer als droeve nostalgie. Ook dat klinkt, hoe vervelend het is dit te zeggen, door op Blackstar. Niet als sprong voorwaarts, maar als terugblik. Als sluitstuk.
En toch mis ik hem. Juist nu. In een tijd die gefragmenteerd is, overprikkeld, stuurloos, vraag ik me soms af welke muzikale collage Bowie van onze wereld zou hebben gemaakt? Welke maskers hij zou hebben aangetrokken? Welke afstand hij zou hebben bewaard? Misschien was hij dan opnieuw ongenaakbaar geweest — een Black Star, ver weg, onbereikbaar, schitterend. En misschien is dat precies de reden waarom hij me blijft bezighouden. Niet omdat hij mij raakte, maar omdat hij ervoor koos dat niet te doen.