Uw ervaring op deze site wordt verbeterd door het gebruik van cookies.
Sta cookies toe Meer informatie ×

Blog

Tekst: Ludo Diels
zo 9 augustus 2026

Nick Cave: uitzicht over het tranendal

Blog

Vijftigduizend mensen staan in Preston Park in Brighton naar één man te kijken. Graatmager, het haar gitzwart geverfd, gestoken in een maatkostuum, rent Cave over het podium. Hij stort zijn woorden over ons uit, werpt zich naar voren, grijpt handen, kijkt mensen aan. Soms laat hij zich dragen. Alsof hij over water loopt, vindt hij zijn weg terug naar het podium.

Tekst Ludo Diels

Ik kijk ernaar en vraag me af wat hier gebeurt. Wat doet dit soort verering met een mens? Je weet waar je vandaan komt, welke weg je hebt afgelegd en dan liggen ineens de mensen aan je voeten. Dat moet toch vreemd zijn. Wat doet het met je ego? Ga je geloven dat je boven die mensen staat? En wij, wij stakkers in het publiek, hebben wij hém nodig? De nieuwe messias, de goeroe? Kennelijk werkt het zo.

De mens kan moeilijk zonder helden, zonder mensen die we op een voetstuk plaatsen en die ons tonen hoe dat gaat, leven. Hoe je lijdt, verleidt, berouw hebt en rouw voelt. Hoe je leeft en liefhebt. Hoe je verder gaat. Caves biografie biedt daarvoor de ideale voedingsbodem. Zijn parcours voert van punk, drugs en woede via pijn, verdriet en spijt naar geloof, hoop en liefde. Zijn Werdegang is haast christelijk van aard. Cave als vleesgeworden zondaar die via straf en berouw het licht tegemoet gaat.

Het uitzicht over het tranendal is onweerstaanbaar. Muziek die tot ongekende hoogten reikt, draagt opvallend vaak verdriet met zich mee. Het serieuze, het droeve kent een hoger soortelijk gewicht dan het lichtvoetige. Volmaakt geluk levert zelden grote liedjes op. Daarvoor moet een schrijver ook durven afdalen naar de minder aangename kamers van het bestaan. Pas wie verdriet, verlangen en de duistere kanten van het hart kent, kan geloofwaardig zingen over de verwondering en het geluk van de liefde. Het licht krijgt betekenis omdat ergens de duisternis heeft bestaan.
 
En Cave kent die duisternis. Juist daarom is het verleidelijk hem vast te lijmen aan het verdriet dat hem trof. Twee zonen verloor hij. Die wetenschap kleurt onvermijdelijk onze blik. We zien hem lachen en denken dat het goed is dat hij weer kan lachen. Alsof de zanger voor eeuwig het lijden moet belichamen waarin wij ons eigen verdriet herkennen. Wie Cave op het podium ziet, ontdekt iets anders.
 
Let’s get ready for love.
 
Het is de letterlijke aftrap in Brighton en meteen ook het programma voor de avond. Cave brengt stormen teweeg. From Her to Eternity, Wild God, het immer opgefokte Tupelo, The Mercy Seat, Red Right Hand. Warren Ellis, zijn bebaarde, bezeten tegenpool, jaagt de uitgelezen Bad Seeds verder op. Keelafknijpend, beklemmend, dreigend en tegelijk adembenemend. Dan verschijnt Kylie Minogue voor Where The Wild Roses Grow en krijgt de massale rockmis plotseling de intimiteit van een biechtstoel.
Later komt Jubilee Street, genoemd naar een straat hier in Brighton. De muziek zwelt aan en Cave lijkt er zelf door te worden opgetild. Dat is zijn grote kracht: man en muziek vallen samen. Hij speelt geen Nick Cave. Hij ís.
 
Daarom is het contact met zijn publiek er een van lichaam en geest. Hij raakt mensen letterlijk aan, wordt gedragen, omhelsd, kijkt ze in de ogen. Hij neemt zijn publiek waar, leest het. Zijn show vormt een vesting waarbinnen zich voor een paar uur een gemeenschap nestelt. Daar gebeurt iets dat zich aan het leven van alledag onttrekt en er tegelijk volledig in geworteld is. Zijn verhaal wordt ons verhaal. In zijn muziek resoneren ons verdriet, ons geluk, onze liefde en onze rouw.
 
De persoon Nick Cave is barok. In hem huist een omgevallen boekenkast. Flannery O'Connor, Bijbel, mystiek, mosterdzaadjes, culturele en literaire verwijzingen buitelen over elkaar heen, terwijl de bezwerende rock-'n-roll altijd een weg naar buiten vindt. Plat en verheven. Vlees en geest. De teksten vragen aandacht en toch staan hier vijftigduizend mensen. Kennelijk voelen zij iets wat zich in het buitenwoordelijke afspeelt. Een band.
 
En juist daar raakt zo’n avond aan deze tijd. We leven steeds meer ieder voor zich, achter een eigen scherm, in een eigen werkelijkheid, omringd door eigen overtuigingen. Dan staan hier ineens vijftigduizend mensen die zich voor een paar uur aan hetzelfde overgeven. Dezelfde stem, dezelfde woorden, dezelfde dreun in de buik. Vijftigduizend individuen worden voor even een gemeenschap. Kennelijk snakken we daarnaar. Naar helden wellicht, maar vooral naar gedeelde vervoering, naar het gevoel ergens samen in te geloven. Dat fascineert me. Ik laat me graag voorstaan op mijn individualiteit. Ik droeg nooit buttons, meldde me nooit aan bij een fanclub en koester weinig aanleg voor blinde adoratie. En toch sta ook ik hier met open mond.
 
Waarom word ik dan geen katholiek, waartoe ik tenslotte ooit gedoopt ben, en ga ik iedere zondag naar de kerk? Omdat het heil van de rock-'n-roll me meesleept. Omdat ik hier een gevecht zie waarin alles wat muziek vermag in stelling wordt gebracht tegen wanhoop en verstarring. Bij Cave krijgt het kwaad ruimte, waarna de liefde uiteindelijk overwint.
 
In de grond heeft ieder groot optreden iets van een religieuze act. Mensen komen samen en ondergaan een tijdelijke samensmelting. Er voltrekt zich een alchemistische daad waarin smerigheid, pijn en verdriet worden getransformeerd tot liefde, tot puur geluk. Een exorcisme haast. Je haalt bij Cave geen hostie, krijgt geen kruisje op je voorhoofd en daalt nergens af in doopwater. De verlossing komt uit gitaren, piano, drums, stemmen en woorden.
 
Liedjesschrijven als religieuze daad. Muziek als transformatie en verheffing.
Nee. Muziek als verlossing.
 
Ik volg Nick Cave al meer dan vijfendertig jaar op de voet. Ik ken de platen, zag hem vaak, weet ongeveer wat er komen gaat. En toch sta ik soms versteld van mezelf. Van mijn bereidheid om me over te geven aan iets waarvoor ik buiten het concertterrein nauwelijks aanleg heb: verering, gemeenschap, collectieve vervoering.

Op 25 augustus sta ik in Bonn weer voor dat podium. Om iets over het leven te leren, over deze tijd en mijn rol daarin. Maar vooral om me opnieuw te laven aan die muziek, aan de overrompelende kracht van een band op de toppen van zijn kunnen en aan het merkwaardige geluk van duizenden mensen die op precies hetzelfde moment dezelfde ervaring delen.
Dat schept een band. En om te genieten natuurlijk. Vooral om te genieten.