Uw ervaring op deze site wordt verbeterd door het gebruik van cookies.
× Sta cookies toe Meer informatie

Column

Tekst: Chris Bernasco
do 29 april 2021

Op het tweede gehoor: Iedereen muzikant

Column

In zijn boeiende ‘Hoe muziek werkt’ (2014) breekt David Byrne een lans voor de democratisering van de popmuziek. Waarom zijn er professionele makers aan de ene kant en passieve toehoorders aan de andere kant? Dat is nergens voor nodig, stelt de voormalige voorman van Talking Heads. De kloof tussen producent en consument, die sinds de ontwikkeling de opnametechniek zo sterk is gegroeid, doet immers geen recht aan de creativiteit die ieder mens van nature bezit. De macht moet naar het volk! Iedereen zou muzikant moeten kunnen zijn!

Door Chris Bernasco

Byrne is zelf professioneel muzikant, maar zijn carrière lijkt wel grotendeels in lijn te zijn met zijn boodschap. Met Talking Heads maakte hij furore in de punkperiode, waarin tegendraadsheid werd gekoppeld aan een onbekommerde doe-het-zelfmentaliteit. Later experimenteerde hij onder meer met stijlen uit Afrika, waar vaak alle leden van een dorp of stam gezamenlijk musiceren tijdens rituelen en ceremonies, zonder dat muzikale scholing vereist is.

De verhouding tussen professioneel artiest en zijn of haar publiek is niet alleen voor David Byrne problematisch. Sommigen maakten de bijzondere relatie zelfs tot onderwerp van liedjes. Randy Newman beklaagde zich in zijn Lonely At The Top ironisch over de eenzaamheid van de popster. JJ Cale stelt in Rock & Roll Records dat zijn platen (die altijd opvallend kort duurden) eigenlijk veel te laag geprijsd zijn. En Justin Hayward van The Moody Blues noemt zichzelf met enige valse bescheidenheid Just A Singer in a Rock & Roll Band. Joni Mitchell was waarschijnlijk de artiest die het onderwerp het meest indringend bezong, in For Free van haar album Ladies Of The Canyon (1970).

In de openingszinnen beschrijft de zangeres hoe ze haar chique hotel verlaat om in de stad sieraden te gaan kopen. Als ze de straat wil oversteken wordt ze getroffen door het fraaie klarinetspel van een straatmuzikant. Wat er werkelijk toe doet, beseft ze met een schok, is alleen de muziek. Iets wat gegeven wordt zonder dat er iets teruggegeven hoeft te worden. Maar dat idee strookt totaal niet met wat zij normaliter zelf doet. I’ll sing if you have the money, or if you’re friend to me, zingt ze, en die boodschap is ongemakkelijk, zeker in een live-setting. Mitchell twijfelt expliciet aan de waarde van de relatie tussen haarzelf en de mensen die tegenover haar in de zaal zitten.

Een van de oplossingen voor Mitchells ongemakkelijke situatie is natuurlijk dat iedereen muzikant wordt. Precies zoals Byrne zegt. Maar is dat wel de oplossing? Ik vraag het me af. De meesten van ons gewone stervelingen voelen ons meer luisteraar dan maker. We bewonderen artiesten graag omdat ze dingen doen die we zelf niet kunnen, die dingen durven die we zelf niet durven. We willen ze liedjes horen zingen die zeggen wat we zelf niet kunnen zeggen, we willen muziek die ons meevoert naar plekken die we vanuit onszelf niet kunnen bereiken. Mijn voorzichtige conclusie: het muzikale gelijkheidsideaal heeft meer aanhangers bij de popelite dan bij het volk.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand een bijzondere kijk op popmuziek.