Epic: Elvis Presley in Concert
Sommige artiesten blijven altijd bestaan, zelfs wanneer ze al decennia niet meer onder ons zijn. Ik was een kind toen Elvis Presley stierf. Het was het eerste sterfgeval waarmee ik werd geconfronteerd. Mijn moeder vertelde het me. Ik was ontroostbaar. En dat ben ik, vreemd genoeg, in zekere zin altijd gebleven. Dat zijn muziek, net als de mythe, tijdloos is, zag ik afgelopen weekend in de bioscoop waar ik genoten heb van EPIC: Elvis Presley in Concert van de Australische filmregisseur Baz Luhrmann. Het toont Elvis in bloedvorm tussen 1970 en 1972 in Las Vegas.
Tekst Ludo Diels
Elvis komt binnen. Op het grote scherm. De maat maakt indruk. In your face. Iedereen die de magie van Elvis in deze periode wil ervaren, doet er goed aan deze muziekdocumentaire op het grote scherm te zien. Je ziet hem repeteren en dollen met zijn musici, maar ook aan het werk op het podium. Elvis zelf – en dat is uniek – vertelt aan de hand van opgediepte interviews zijn eigen verhaal. Met name zijn vaak humoristische interactie met de muzikanten en het publiek is bijzonder. Hij is slank, energiek en charismatisch. Vrouwen vallen letterlijk in katzwijm en Elvis is nooit beroerd ze op de mond te kussen. Andere tijden. Toen was grensoverschrijding nog heel gewoon.
Luhrmann, die in 2022 al een veelgeprezen speelfilm over Elvis maakte met Austin Butler, baseerde deze documentaire op tientallen uren ongezien materiaal dat jarenlang verborgen lag in archieven, diep onder de grond in zoutmijnen. Dat alleen al maakt deze film tot een gebeurtenis. Alsof er een schat is opgedolven die al die tijd op ons lag te wachten. Je kijkt niet alleen naar Elvis, je kijkt naar een herontdekking.
Ik moet bekennen dat ik die eerdere film minder overtuigend vond dan de meeste recensies suggereerden. Niets ten nadele van Butler, integendeel. Maar de humor ontbrak. Alles was zwaar, bijna plechtig. De Elvis die ik kende – geestig, speels, soms zelfs licht absurd – bleef op afstand. In deze documentaire lijkt Luhrmann dat beeld te willen corrigeren. Hier voert Elvis zelf het woord. Hij blijkt een lachebek, een grappenmaker. Soms op het kinderachtige af, maar juist daardoor ontwapenend. Puur. Echt. Lief.
Mijn fascinatie voor Elvis is levenslang. Ik voelde altijd de meeste verwantschap met de rocking days uit de jaren vijftig. De rebel, de rocker, de jongen die de wereld op zijn kop zette. Deze film heeft me geholpen ook de latere Elvis opnieuw te zien. De man in de jumpsuits, zingend tussen covers en classics, lucht-karate en theatrale poses. Ik merk tot mijn eigen verbazing dat ik hem meer ben gaan waarderen. Blijkbaar ben ik – met enige ironie – een allround Elvis-fan geworden.
Wat mij deze keer vooral trof, was de spanning tussen de kwetsbare mens en de onverslijtbare mythe. Elvis had als vroege twintiger alles al bereikt. Hij had de wereld veranderd. Rock-’n-roll was niet langer muziek, maar een culturele aardverschuiving. Zie daar maar eens mee te leven. In de film hoor je hem reflecteren op roem, liefde, geluk en vergankelijkheid. Het zijn geen grote woorden, maar zoekende gedachten. Je voelt hoe hij probeert te begrijpen wat hem is overkomen. In een tijd van digitale beroemdheden, influencers en algoritmes klinkt dat verrassend actueel: roem is niet minder meedogenloos geworden, alleen vluchtiger.
In deze periode oogt hij nog fit en energiek. Maar als kijker weet je dat dit een verhaal is met een slecht einde. Je voelt dat hij daar onherroepelijk naartoe beweegt. De uitgebluste papzak ligt ergens in het verschiet. En terwijl je kijkt, hoop je – al is het naïef – dat iemand hem daar weghaalt. Dat iemand hem helpt. Hem opnieuw in contact brengt met de wereld, met andere musici, met het leven. Elvis was een geïsoleerd eiland, omringd door mensen en toch onbereikbaar.
Wat blijft, is de eerlijkheid van zijn muziek. Hij zong de liedjes niet, hij wás de muziek. Welk genre hij ook koos, hij ging naar de kern. Zelfs wanneer hij een grap maakte, bleef de essentie overeind. Hij gaf alles.
Elvis in die jaren zeventig balanceerde voortdurend op de rand van kitsch – en soms eroverheen. Niet alleen in een lied als Bridge Over Troubled Water, maar ook in zijn verschijning: de armbanden, de dikke goudkleurige brillen, de ringen, de rhinestone suits. En toch gebeurde er iets wonderlijks. Hij tilde het overdrevene naar een niveau waarop ironie en ernst samenvielen. Hij maakte er een vorm van waarheid van.
De documentaire is vermakelijk, inspirerend en uiteindelijk ook ontroerend. Je beseft dat hij, soms drie shows per dag gevend, de grenzen van wat een mens aankan ver overschreed. Hij pleegde roofbouw. The show must go on. En dat gebeurde ook.
Misschien is dat wel het tragische van Elvis. De mens was breekbaar, de mythe onverwoestbaar. En hoe zwakker hij werd, hoe sterker het beeld moest worden. En ergens voel je dat die tegenstelling hem heeft opgegeten.
Zelfs als middelbare heteroman kom je bovendien niet om de looks van The King heen. Wat was die knakker ongemeen knap. Een gezicht als een Griekse god, maar dan met pommade en een glimlach waarin tegelijk bravoure en verlegenheid schuilgingen.
Zo blijf je ontdekken. Ook mezelf. Elvis blijft fascineren. Hij is inmiddels klassiek, een icoon. Misschien daarom moest ik, na afloop, denken aan die onverslijtbare regel van Luc De Vos: Sterren komen, sterren gaan. Alleen Elvis blijft bestaan.
Ga kijken.